Je openstellen voor vreemden

vreemden

Ze had het niet zo op nieuwe mensen. Maar toen vreemden zich toch in haar leven mengden, ging journal het Olivia Gagan er anders over denken.

Shakespeare and Company is een boekwinkel in Parijs, gevestigd in een prachtig pand. Oud en smal, met kra­kende houten trappen en verborgen hoekjes waar schrijvers en dichters als Allen Ginsberg en Anaïs Nin ooit hebben zitten lezen en schrijven. Rondreizende schrijvers werken overdag in de winkel, en slapen ’s nachts tussen de schappen. Dat gaat al tientallen jaren zo. De winkel­ eigenaren noemen hen ook wel ‘tuimel­ kruid’.

Het motto van de winkel hangt op een bord boven een deur. Er staat ‘Wees aardig voor vreemden – misschien zijn het vermomde engelen’. In het afgelopen jaar – een jaar waarin ik min of meer toevallig ook een soort tuimelkruid werd dat over de wereld werd geblazen – heb ik geleerd wat dat betekent: gastvrij en aardig zijn voor mensen die je niet kent.

Dag in dag uit hetzelfde

Het jaar daarvoor had ik al een tijd het gevoel dat ik vastzat. Ik zat vastgeroest in een baan in Londen die ik al jaren had, vast aan een appartement waarvan ik het gevoel kreeg dat het te klein was voor alle dingen die ik in mijn leven wilde doen. Ik was het zat om dag in dag uit naar hetzelfde kantoor te gaan, via dezelfde route en tijdens mijn pauzes steeds hetzelfde wandelingetje te maken. Alles wees erop dat ik iets anders moest gaan doen, misschien een beetje risico moest nemen, maar op de een of andere manier kreeg ik de moed om het daad­ werkelijk te doen niet bij elkaar geraapt.

Ik realiseerde me dat ik mijn handjes mocht dichtknijpen dat ik geen noemens­waardige problemen had: ik was gezond, had lieve vrienden en een dak boven mijn hoofd. Maar ik voelde me onvoldaan. Mijn leven speelde zich af in een gesloten lus, en ik voelde me cynisch en verveeld. Eigenlijk had ik ook geen zin om nieuw­komers in mijn wereld toe te laten. Van nature ben ik sceptisch en ik vind men­sen in eerste instantie maar lastig.

In plaats van vreemden te omarmen, vind ik het prettiger mijn tijd door te brengen met vrienden die ik goed ken en die me dierbaar zijn – en er gaan tientallen jaren overheen voordat ze die status bereiken. Van vreemden – of ze nou romantisch potentieel hadden, mogelijke nieuwe vrienden waren of misschien een nieuw iemand op mijn werk – nam ik totaal geen notie. Achteraf gezien is het me wel duidelijk hoe het kwam dat ik op een avond in een café zat met een vriend, en me van­ achter mijn halflege glas zat te beklagen over het feit dat er nooit iets veranderde.

Dansen in India

En toen, zoals dat wel vaker gebeurt, begon het lot groeikansen mijn kant uit te schuiven. Het was alleen aan mij om ze te herkennen en ze te pakken.
De eerste kwam toen een collega me uitnodigde voor haar bruiloft in Delhi, India. Het zou een dure reis worden, mijn vakantiedagen zouden daarna op zijn en behalve de bruid kende ik niemand op de bruiloft… maar ik ging toch.

India is geen land waar je makkelijk alleen kunt zijn. In de steden is er geen plaats om je af te zonderen – er steken ellebogen in je zij, warme lichamen drukken tegen je aan en overal staan mensen in je oren te tetteren. Indiase bruiloften zijn ook zo: overweldigend, mooi, luidruchtig en overvloedig. Toen ik aankwam in het hotel waar de drie dagen durende bruiloft zou plaatsvinden, werd ik meteen doorgestuurd naar de gymzaal. Ik wilde eigenlijk eerst even bijkomen in mijn kamer, maar nee… de bruid vertelde me dat ik danspassen moest instuderen, en snel ook.

Dit was vanwege de sangeet­ceremonie: een traditioneel onderdeel van een Indiase bruiloft waarbij de gasten muziek maken, dansen of poëzie voordragen voor de bruid en bruidegom. Ik bevond me dus ineens in een dansstudio waar ik een choreografie moest instuderen met medegasten. Er waren studenten, schoolvrienden van de bruid uit Mumbai en ook New Yorkers, en iedereen had een jetlag.

Dans is een geweldige manier om men­sen te leren kennen. Je deelt fysieke ruimte en werkt samen in een poging iets moois te maken en hetzelfde ritme te pakken te krijgen. Iedereen lachte zich een ongeluk terwijl we rondjes draaiden en schudden met onze schou­ders en de choreografie probeerden te onthouden voor de avond daarna. Tegen de tijd dat de bruiloft voorbij was, had ik dagenlang gedanst, verhalen gedeeld en gepraat – en ik realiseerde me hoe weinig ik in het verleden had geprobeerd met vreemden te praten.

De trein gemist

Na de bruiloft besloot ik naar Darjeeling te gaan. Het zou een vierentwintig uur durende reis worden in een slaaptrein die duizenden meters naar boven pufte door het voorgebergte van de Himalaya, richting de hoofdstad van de thee. Ik had mijn dagboek, mijn camera en een boek, en ik zou tijdens de reis schrijven en foto’s maken van het Indiase land­ schap dat aan me voorbijtrok.

Maar omdat ik vast kwam te zitten in het verkeer in Delhi, miste ik mijn trein. Ik zag ’m nog net het station uitrijden. Op het perron sloeg de paniek toe. Ik kon de borden op het enorme, warme, stoffige treinstation niet lezen, en ik had afgesproken om mijn gastvrouw over precies vierentwintig uur te ontmoeten – duizend kilometer verderop aan de andere kant van het land.

Druipend van het zweet hees ik mijn rugzak – die ongeveer half zo zwaar was als ikzelf – op mijn rug en zwalkte een wachtruimte binnen, op zoek naar iemand van het personeel die me kon helpen. Toen ik me realiseerde dat er ongeveer vijftig andere mensen waren die ook wachtten op reisadvies, plofte ik verslagen neer op een bankje.

Een man kwam naar me toe. Een Ame­rikaan. “Je ziet er verloren uit,” grijnsde hij. Ik moet er belachelijk uit hebben gezien – een kleine, boze vrouw die bijna bezweek onder haar rugzak, en met een gezicht en armen die onder de viezigheid en het zweet zaten. Het laatste wat ik kon gebruiken was een gesprek over koetjes en kalfjes met een medetoerist, dus ik bitste terug: “Ik red me wel”, in de hoop dat ik lekker in mijn eentje ver­ward en boos kon zitten zijn. “Laat me je helpen,” zei hij. Ik vond het maar ver­dacht, en keek hem achterdochtig aan toen hij naast me ging zitten.

Zelf had ik geen internet – mijn batterij was leeg – maar deze man vond een dienstregeling voor me, en het bleek dat er de rest van de dag geen treinen meer naar Darjeeling zouden vertrekken. Hij hielp me daarom met het boeken van een goedkope vlucht en de handigste manier om op het vliegveld te komen. We liepen naar de tuktuk­standplaats en hij zorgde ervoor dat ik én mijn gigan­tische rugzak veilig werden ingeladen. Hij wenste me het allerbeste, en vertrok.

Wandelen met een vreemde

Terwijl ik richting vliegveld reed, voelde ik mijn rugzak na om er zeker van te zijn dat de Amerikaan niets had gestolen. Dat had hij niet. De glimlachende vreem­deling had me gewoon drie kwartier van zijn tijd gegeven om me weer op weg te helpen, en hoefde daar niets voor terug te hebben. Ik schaamde me dat ik auto­matisch had aangenomen dat hij iets kwaads in de zin had gehad.

In India bleken overal mensen te zijn die me in hun wereld wilden toelaten. Toen ik eindelijk aankwam in Darjeeling, raakte ik aan de praat met een vrouw die in het hotel werkte waar ik logeerde. Ze bood aan met me mee te lopen naar een mooie rivier; een urenlange wande­ling dwars door theeplantages.Al wandelend en pratend kwamen we erachter dat we precies even oud waren. Ik was duizenden kilometers daarvan­daan opgegroeid in Engeland, en zij was nooit verder geweest dan Darjeeling.

In eerste instantie vroeg ik me af waar ik het in vredesnaam met haar over zou moeten hebben op de zes uur durende afdaling door de heuvels. Maar uitein­delijk kletsten we de hele dag. We praatten over relaties, en hoe moeilijk het was om de juiste persoon te vinden. Ze bleek van films te houden, en wilde mijn mening weten over films die we allebei hadden gezien. We hadden alle twee ambitieuze carrièreplannen, en terwijl ze praatte realiseerde ik me dat ik weer eens dingen had aangenomen over iemand die ik helemaal niet kende.

Elke dag een praatje

Toen ik uit India terugkwam, voelde ik me een stuk beter. Aangemoedigd door al dat reizen besloot ik mijn baas te vragen of ik een poosje voor de Parijse vestiging van ons bedrijf kon werken. Tot mijn verbazing zei hij ja. En dus verbleef ik drie maanden in een minuscuul appar­tementje, en werkte helemaal alleen. Via social media had ik voortdurend contact met mijn familie en vrienden in Engeland, en ik bedacht dat ik niet lang genoeg in Parijs was om nieuwe mensen te leren kennen.

Maar het gebeurde weer: opnieuw besloten vreemdelingen dat ze deel wilden uitmaken van mijn leven. Tegenover mijn appartement was een winkeltje vol prachtige kleding – zachte wollen truien, leren rokjes, jurken met pailletten. Ik ging er soms even naar binnen om alles te bewonderen. Op een dag knoopten de verkopers een praatje aan omdat ze mijn Britse accent hoorden. Vanaf dat moment liep ik regel­matig naar binnen voor een kletspraatje, de meisjes in geduldig Frans, ik in slecht Frans, struikelend over mijn woorden.

Toen het einde van mijn tijd in Parijs in zicht kwam, was ik verdrietig dat ik afscheid moest nemen van dat winkeltje. Ik had er nooit iets gekocht, maar de verkopers hadden me vriendelijkheid, een gesprek en een flink verbeterde taalvaardigheid geschonken. Ook zorg­den ze ervoor dat ik me ging afvragen waarom ik in het verleden zo afgesloten en stug was geweest tegenover nieuwe mensen.

Zelf vermoed ik dat het een natuurlijk verdedigingsmechanisme was voor een aantal stukgelopen relaties en wat vervelende ervaringen, waardoor ik in mijn schulp was gekropen. Niet gelo­ven in de goedheid van vreemden is op den duur echter geen manier om te leven. Op een gegeven moment moet je het toch voorzichtig nog een keer proberen. Mijn laatste les kreeg ik tijdens een recente vakantie in Mexico. Ik was te bang om in een cenote te springen – een diepe in de rotsen uitgesleten poel vol uitnodigend maar ijskoud water.

Ik applaudisseerde terwijl mijn vrienden er vanaf een negen meter hoge richel insprongen. Een meisje, een fantastische zwemmer die ik afgunstig had gade­ geslagen terwijl ze keer op keer sierlijk in het water dook, liep op me af en bood aan samen te springen. Ze greep mijn hand vast, we sprongen, en dat bleek alles te zijn wat ik nodig had – een klein beetje hulp van een vreemde.

Geloven in goedheid

Inmiddels ben ik terug in Londen, en ik heb besloten nog een keer een sprong te wagen en mijn eigen bedrijf te begin­nen. Mijn vaste baan opzeggen en me op onbekend terrein wagen voelt een beetje als in een ijskoude poel springen: eng, maar het grote verschil is dat ik nu weet dat er mensen zijn die je willen helpen, en die willen dat het je lukt. Al die lieve dingen die onbekende mensen voor me hebben gedaan, maakten een verschil. Ze zijn een belangrijke factor geweest in mijn beslissing om er in m’n eentje voor te gaan. Ik heb die vreemden maar even meegemaakt – maar ze heb­ ben mijn leven veranderd.

Ik weet dat ik geluk heb gehad dat ik zo veel heb kunnen reizen in het afgelopen jaar, maar ik geloof niet dat er een trip naar India of een vakantie voor nodig is om je ogen te openen voor de potentiële goedheid van mensen. Het kan zo sim­pel zijn als gewoon je dagelijkse routine een beetje veranderen: even opkijken en hallo zeggen tegen de persoon die je koffie serveert in de ochtend in plaats van naar je telefoon staren. Of even dapper zijn en een gesprek aanknopen met een nieuwe collega op je werk.

Terugkijkend op mijn cynische jaren, denk ik dat ik gewoon een beetje bang was. Jezelf openstellen voor vreemden is inherent riskant: het kan fout gaan. Het betekent dat je moet uitgaan van de goedheid van mensen, en daarvoor heb je vertrouwen nodig. Ik zeg niet dat iedereen die je tegenkomt alleen maar goede bedoelingen heeft en dat alle vreemdelingen vrienden zijn.

Als ik ’s avonds het nieuws aanzet of een krant opensla, weet ik meteen weer in wat voor harde, vijandige wereld we soms leven. Maar ik heb ook geleerd dat ik niet meteen mijn schild in stelling hoef te brengen als ik een nieuw iemand ontmoet. Ik stel mezelf meer open voor de mogelijkheid dat het misschien wel goede mensen zijn, of grappig, of aardig – die vermomde engelen waar ze boven de deur van de Parijse boekwinkel op doelden.

Tekst Olivia Gagan Fotografie Joseph Pearson/Unsplash.com

Promotional image Promotional image

Meer dan 150 pagina’s met paper goodies

Paper book for food lovers

Een boek over papier én eten: dat is het nieuwe Flow Paper Book for Food Lovers.

Bestel nu