Lief zijn voor je lichaam: zo doe je dat

Lief zijn voor je lichaam

Journalist Otje van der Lelij was altijd kritisch op haar lijf; maar ging er weer van houden toen het lukte er op een andere manier naar te kijken. Hoe doe je dat, lief zijn voor je lichaam?

Veel van mijn jeugdherinneringen zijn lijfelijk. Ik weet nog goed dat ik met mijn familie een middag doorbracht in een rivierbedding van de Loire in Frankrijk. Op mijn blote voeten stampte ik door de ondiepe rivier. Ik bouwde dammen van gladde keien en het door zon opgewarmde water stroomde zachtjes langs mijn vingers. Ik zat niet in mijn hoofd, maar in mijn lichaam. Ik wás mijn lichaam.

Toen ik ouder werd, werd ik steeds meer ‘hoofd’. Op de universiteit zat ik vaak gebogen over een dik boek, aanteke­ningen te maken. Thuis voedde ik mezelf met literatuur, kranten en films. Mijn gedachten schonk ik veel aan­dacht. Te veel aandacht. Eindeloos bleef ik ronddobberen in mijn hoofd. Descartes’ beroemde stelling cogito ergo sum (ik denk, dus ik ben), was mij op het vergeten lijf geschreven.

Maar ik merkte ook hoe belangrijk een mooi lichaam is in onze op uiterlijk gerichte samenleving. Als ik al aan­dacht had voor mijn lichaam, was dat niet in de zin van ‘voelen’ maar van ‘oordelen’: mijn knieën waren niet mooi, mijn buik niet strak genoeg. Ook al vond ik dat het eigenlijk niet uit zou moeten maken, toch schrok ik soms als ik een foto van mezelf zag – ben ik dat?

Hoofdwerk

Dat we in deze tijd een beetje van ons eigen lichaam vervreemd raken, snapt de Australische filosoof Damon Young wel. ‘De huidige samenleving doet een groot beroep op ons hoofd. Mensen zijn op hun werk een groot deel van de dag bezig met praten, lezen en typen, veel lichamelijk werk zit er niet bij. Bewegen doen we tussendoor, terwijl we op schermen en knoppen drukken en telefoontjes plegen. We hebben uiteraard nog een lichaam, maar zijn bijdrage aan ons leven is beperkt.’ Dat maakt dat we steeds meer ‘hoofd’ worden en steeds minder ‘lichaam’.

Wel zien, niet voelen

Ook de virtuele wereld zorgt voor ‘ont­lijving’, schrijft filosoof Ad Verbrugge in zijn boek Staat van verwarring – Het offer van liefde. In de ‘virtuele biotoop’ waar we een groot deel van de dag doorbrengen, zijn we in een ruimte die we niet kunnen aanraken, stelt Verbrugge. Onze ogen en oren worden wel geprikkeld, maar onze andere zintuigen (tastzin, reuk) raken op de achtergrond.

We zien beelden van een strand op Bali voorbijkomen, maar ademen de buitenlucht niet in en voelen het zand niet onder onze voeten. We scrollen door het fotoalbum van iemands begerenswaardige leventje, maar het ontgaat ons compleet dat deze per­ soon eigenlijk diep ongelukkig is – iets wat ons in lijfelijke aanwezigheid waarschijnlijk wel zou opvallen. Door al dat surfen en whatsappen ‘raken we vervreemd van de lijfelijke dimen­sie van het leven.’

Voor de spiegel

“De afkeer die mensen kunnen voelen voor hun lichaam heeft ook te maken met eigenschappen die we bepaalde lichaamstypes toedichten,” vertelt psycholoog Jessica Alleva van de universiteit van Maastricht als ik haar bel. “Zo associëren we zwaarlijvigheid met luiheid en weinig zelfbeheersing, en staan rimpels in onze samenleving voor ouderdom en een ongezonde levensstijl. Als je rimpels hebt maar je voelt je nog jong, of je bent iets zwaarder maar allesbehalve lui, dan herken je jezelf niet in je spiegelbeeld. Je raakt vervreemd van je eigen lichaam.”

Daar komt volgens Alleva bij dat vrouwen niet met de meest vriendelijke blik in de spiegel kijken. Ze zien hun lichaam als object, en kijken er met de blik van een buiten­ staander naar (Zit mijn jurk wel goed? Hoe zie ik eruit voor anderen?). Dit derdepersoonsperspectief wordt gevoed door beelden in de samen­leving over hoe een ideaal lichaam eruit moet zien. Maar dat ideaalplaatje is volgens Alleva verre van realistisch. “Wetenschappers denken dat het ideaalbeeld nu irreëler is dan ooit tevoren. Vrouwen moeten slank, fit en gespierd zijn – maar niet té. Ze moeten grote borsten hebben en een smalle taille. En er altijd maar jong en jeugdig uitzien.”

Het is een haast onhaalbaar ideaal waar we dagelijks mee worden geconfronteerd. Op Instagram en Facebook schieten de mooiste plaatjes voorbij. De perfecte lijven komen ons zwaaiend en lachend tegemoet, en verkopen impliciet dan wel expliciet de boodschap dat een mooi lichaam belangrijk is voor succes en geluk in de liefde en op het werk. Alleva: “Het is lastig om je hier niet door te laten beïnvloeden. Ook al weet je dat de beelden onrealistisch zijn, toch internaliseer je deze idealen.Je vergelijkt je eigen lichaam onbewust met het gemanipuleerde ideaalplaatje.”

Ik heb zelf bij een glossy gewerkt, dus ik weet hoe vaak de beelden gefoto­shopt worden. Daarbij denk ik: kom op, wat oppervlakkig. Jij bent toch niet meer gevoelig voor al die plaatjes van niet­bestaande schoonheid? Maar misschien raakt het me meer dan ik altijd dacht. Ik sta meestal niet te juichen als ik voor de spiegel sta. En het gros van mijn vakantiekiekjes blijft lekker veilig op mijn harde schijf staan.

Als ik ergens een onderkin, vet­ rol of lelijke grimas bespeur, verwijder ik de foto subiet. Dat is toch niet wie ik bén? Of beter gezegd: wie ik wíl zijn? Terwijl ik er waarschijnlijk gewoon op sta zoals ik er ook weleens uitzie, met de lichamelijke ‘imperfecties’ die bij mij horen. Waarom vind ik het dan zo onprettig om daarmee geconfron­teerd te worden? Niemand is toch perfect? Het échte leven is toch ook gewoon fouten maken en lelijk zijn?

Het derde oog

“Aan de buitenstaandersblik kleven nogal wat nadelen,” vertelt Alleva. Zo beleef je minder plezier tussen de lakens als je let op hoe je eruitziet. Je bent namelijk continu bezig met de ander (Vindt hij of zij me wel aantrek­kelijk?) in plaats van met jezelf: Wat vind ík fijn? Wat geeft mij plezier? Bovendien voel je je eigen fysieke opwinding minder goed, waardoor je ook minder van de seks geniet. Een buitenstaandersblik maakt ook kwets­baar, want je hangt je eigenwaarde op aan het oordeel van de ander of het oordeel van de samenleving.

Alleva: “Vrouwen die met een derde oog naar zichzelf kijken (Voldoe ik wel? Vinden anderen me wel mooi?) zijn dan ook onzekerder over hun lichaam. Ze hebben vaker last van eetproblemen en gaan eerder dokteren aan hun uiterlijk.” Je lichaam wordt op deze manier een gevangenis. Je zit opgesloten in de opdracht een onhaal­baar ideaal te bereiken, en als dat niet lukt – wat bijna altijd het geval is – voel je je een mislukkeling.

De schoonheidsparadox

Bovendien word je niet per se aan­trekkelijker als je te bewust met je lichaam bezig bent, stelt filosoof Rebekka Reinhard in haar boek Mooi!. Volgens Reinhard maakt de Duitse schrijver Heinrich von Kleist (1777­ 1811) dat treffend inzichtelijk in Über das Marionettentheater. ‘Von Kleist beschrijft hoe een jongeman na een bad op een krukje gaat zitten om zijn voet af te drogen. Als hij daarbij in de spiegel kijkt, moet hij aan een Grieks beeld uit een museum denken. Als de jongen de mooie beweging probeert te herhalen, is de betovering verbroken.

En bij de tiende poging komt zijn beweging slechts houterig over. Von Kleist schrijft: ‘Vanaf die dag, meteen vanaf dat ogenblik, maakte het jong­ mens een onbegrijpelijke verandering door. Hij stond de hele dag voor de spiegel en hoe langer hij dat deed, hoe meer van zijn aantrekkelijkheid verdween. Het leek wel of een onzicht­bare en onbegrijpelijke macht zich als een strak keurslijf om zijn anders zo vrije bewegingen legde. Na een jaar was van de lieftalligheid in hem, waar de mensen uit zijn omgeving hem zo om hadden bewonderd, geen spoor meer te ontdekken.’’

In het echte leven is het net zo, denkt Reinhard: ‘Hoe meer je probeert mooier, jonger en modieuzer over te komen, hoe meer je van je aantrekkingskracht verliest. Dat is de schoonheidsparadox. Bere­kenende schoonheid heeft altijd iets stars en verbetens.’

Zo veel moois

Als je meer van je lichaam wilt houden, is het goed om na te denken over waar­ toe je lichaam allemaal in staat is, ontdekte Alleva. Voor haar promotie­ onderzoek gaf ze vrouwen met een negatief lichaamsbeeld de opdracht om drie keer een kwartier te schrijven over wat hun lichaam allemaal kan, en waarom ze daar zo dankbaar voor zijn. Alleva: “Vrouwen vinden het lastig om op zo’n manier naar hun lichaam te kijken. Ze zijn het niet gewend.

Maar ons lichaam is tot zo veel moois in staat. Elke schrijfopdracht in het onder­ zoek had een andere focus. De ene keer schreven de vrouwen over hun gezondheid: het lichaam kan voedsel verteren, vitamines opnemen en wond­jes genezen. De andere keer over cre­atieve dingen: je kunt met je lichaam dansen, schilderen en schrijven. Ook schreven ze over zintuigen, fysieke prestaties en wat het lichaam kan betekenen in relatie tot anderen: je kunt ermee knuffelen, vrijen en oog­contact maken. Al na drie keer schrijven hadden de vrouwen een positiever lichaamsbeeld en voelden ze zich beter over hun uiterlijk. Een effect dat een maand later nog steeds bestond.”

Ik kan me dat heel goed voorstellen. Sinds ik moeder ben, is de relatie tot mijn lichaam veranderd. Ik ben liever geworden voor mijn lijf. En dat komt mogelijk door deze mindshift van het ‘uiterlijke lichaam’ naar het ‘functio­nele lichaam’. Ik vond het wonderlijk dat er in mijn lichaam twee prachtige meisjes zijn gegroeid, die ik met mijn eigen lijf heb gevoed en nog elke dag knuffel.

Waar ik me minder bewust van was, is dat ik ook met mijn lichaam dans, schrijf en muziek maak. En dat het eigenlijk best bijzonder is dat mijn lichaam duidelijk aangeeft wanneer ik een grens overga (Stop!) of geïnspi­reerd raak (Ga door!). Mijn lijf is wel wat meer dan een esthetisch object dat ik altijd afkraakte omdat het niet voldeed aan het schoon­heidsideaal. Het speelt een grote rol bij alles wat mijn leven de moeite waard maakt. Eigenlijk is mijn lichaam mijn beste vriend.

Gezichten lezen

Alleva: “Veel mensen denken dat als je eenmaal tevreden bent met je lichaam, je het als het ware ‘opgeeft’. Maar het werkt juist andersom: hoe meer je van je lichaam houdt, hoe beter je ervoor wilt zorgen.” Dat herken ik. Ik ben gezonder gaan eten, meer gaan bewegen, en trap sneller op de rem als ik stress heb. En iets als botox laat ik aan me voor­bijgaan. Ik vind dat dat middel iets te makkelijk over één kam wordt geschoren met ‘haren verven’ en ‘benen ontharen’.

Maar botox is een giftig goedje dat je gezichtsspieren verlamt, waardoor rimpels vervagen. Je gezichtsspieren spelen juist een belangrijke rol in de communicatie: bij het kunnen lezen én voelen van emoties, zo is uit onderzoek gebleken. Als je naar de botoxspuit grijpt, vlak­ ken niet alleen je eigen emoties af, je kunt ook minder goed gezichtsuit­drukkingen van anderen lezen. We herkennen namelijk emoties door ze heel subtiel na te bootsen. Botox ver­ stoort die nabootsing door je gezichts­spieren lam te leggen, en beperkt daarmee het inkijkje in de gevoels­wereld van een ander. Die functie van mijn lichaam uitschakelen voelt meer als een verminking dan een verfraai­ing. Niet bepaald wat ik versta onder lief zijn voor je lijf.

Thuis in je lichaam

De relatie met mijn lichaam is nog meer verbeterd sinds ik sport en mediteer. Als ik op de racefiets of het meditatiekussen zit, bén ik mijn lichaam en beoordeel ik het niet. Het lijkt alsof de afstand die ik voorheen voelde tot mijn lijf daardoor kleiner is geworden – ik ervaar meer eenheid. Misschien verklaart dat ook de populariteit van yoga en meditatie. Mensen zitten zo veel in hun hoofd, dat ze er soms behoefte aan hebben zich weer hele­maal ‘lijf’ te voelen.

Volgens filosoof Damon Young die zelf ook aan yoga en meditatie doet, krijg je op de yogamat een completer beeld van je eigen lichaam. ‘Door langzaam te rekken en strekken krijg je een besef van het lichaam terug doordat je je bewust wordt van wat gewoonlijk onbewust is. Niet alleen visueel, maar vooral ook van binnenuit.’ Je ervaart een rijker idee van jezelf, wat Young vergelijkt met een ‘soort binnenhuis­ architectuur’: je gaat je weer thuis voelen in je inwendige.

Ik herken me wel in deze poëtische woorden. Als ik stretch of mediteer word ik me bewust van vergeten spiergroepen. Ik voel de lucht mijn longen in­ en uit­ stromen, en merk waar spanningen zich fysiek vastzetten. Ik ben op zo’n moment heel lijfelijk, heel dicht bij mezelf. Net als op die mooie dag in de rivierbedding van de Loire waar ik als klein meisje zo fijn speelde. Ik had toen geen lichaam, ik wás mijn lichaam.

  • Het verhaal ‘Lief zijn voor je lichaam’ komt uit Flow 7-2018.

Tekst Otje van der Lelij Illustratie Lucy Driscoll

Promotional image Promotional image

Meer dan 150 pagina’s met paper goodies

Paper book for food lovers

Een boek over papier én eten: dat is het nieuwe Flow Paper Book for Food Lovers.

Bestel nu