Op safari in eigen buurt: zo start je

buurt

Tussen tegels, in hoeken en kieren, in plantsoenen en bermen of tuinen met en zonder steen. Ook in je eigen buurt zijn overal planten, ontdekte journalist Jocelyn de Kwant.

Plantblindheid wordt het wel genoemd: het onvermogen om planten te herkennen in je eigen omgeving. En omdat ze ons niets zeggen, zien we ze niet; alsof ze niet bestaan. De meeste mensen weten meer automerken dan planten te noemen. Drie jaar geleden hoorde ik er ook bij, bij die groep. Inmiddels zijn er weinig planten meer die ik niet herken. Het heeft mijn dagelijkse ommetje er een stuk leuker op gemaakt.

Het begon met bijvoet

Wat er veranderde? Ik weet het eigenlijk niet eens. Het leek wel alsof er ineens een knopje omging in mijn hoofd. Toen ik erop begon te letten, zag ik dat er zo veel groen is om me heen. Tussen tegels, in hoeken en kieren, in plantsoenen en bermen, in tuinen met en zonder steen. Ik realiseerde me dat dat allemaal levende organismen zijn die hard aan het werk zijn. Die zonlicht en CO2 omzetten in glucose en zuurstof, fijnstof opvangen en zorgen voor voeding voor grote en kleine dieren.

Met een plantenherkennings-app bracht ik de planten in mijn buurt in kaart. Ik begon ze te tekenen en te fotograferen. Toen ik er ook meer over ging lezen, gingen ze pas echt voor me leven. Over hoe onze voorouders sommige van die gewone planten in de berm, zoals duizendblad en hondsdraf, gebruikten als medicijn. Hoe in de lente jong brandnetelblad werd verzameld om het vitamine C-tekort van de winter aan te vullen. Dat bijvoet een van de eerste planten was die hier groeide toen ons land nog een ­winderige toendra was. Dat het onverwoestbare zevenblad, dat mijn tuin niet uit te krijgen is, ooit door de Romeinen werd meegebracht als sla en als medicijn tegen jicht. En dat er ooit heel veel verschillende soorten paardenbloemen voorkwamen in Nederland – de plant heeft zelfs een eigen fanclub.

Geen onkruid, maar Vrijwilligers

Al die plantjes, die we vaak zo gedachteloos voorbijlopen, hebben allemaal hun eigen verhaal. Ze groeien nooit zomaar ergens, maar kiezen hun plek. Niemand geeft brandnetels en distels ooit water, toch overleven ze de droge zomer. En ze hebben allemaal een functie. Zoals voedselbos-voorvechter Wouter van Eck zegt: “Ik noem ze geen onkruid, maar vrijwilligers.” Klaver verbetert de bodem. Bodembedekkers zoals hondsdraf zorgen dat de grond niet uitdroogt, ridderzuring zorgt met dikke wortels dat water beter wordt doorgelaten.

En dan zijn er nog de samenwerkingen die planten hebben met insecten zoals bijen, dag- en nachtvlinders en mieren. De bestuivers zorgen dat de zaden bevrucht zijn. De mieren helpen met het verspreiden van die zaadjes, omdat ze een deel daarvan heel lekker vinden en meenemen (het zogenoemde mierenbroodje). Elke plant is een radertje binnen een enorm netwerk, waarvan wij mensen nog niet eens alles begrijpen. Heb je dat door, dan zal die plantblindheid langzaam verdwijnen. Dan worden die plantjes bekenden van je. Vrienden zelfs.

Nieuwkomers in de stad

Vaak vind je in de stad de taaie rakkers die wel tegen een stootje kunnen. Weegbree vindt het bijvoorbeeld niet erg als er over hem heen wordt gelopen. Het is vaak de laatste plant die overblijft op een looppad. Voor het boek Stadsflora van de Lage Landen bracht ecoloog Ton Denters alles in kaart wat er in Nederland en België tussen de stenen groeit.

Hij noemt de stad de ultieme vergaarbak waar alles kan opduiken. Planten die ooit tuinplant waren, maar zijn verwilderd en nu hun eigen gang gaan. Uitheemse soorten, die het in de warme stad prima kunnen vinden – elk jaar komen er wel zeven nieuwkomers bij. Pioniersplanten zoals klaprozen, die als eerste komen als de grond is verstoord, vind je ook veel in de stad. In de berm staan planten die normaal in boszomen groeien. Verder is door al dat steen de flora in de stad vergelijkbaar met een rotslandschap, zoals varens die op stadsmuren te vinden zijn. Denters: ‘Stadsplanten komen spontaan op en gaan hun eigen gang. En dat levert een onverwachte en bloeiende rijkdom op.’

Bijen-, vlinder- of hommelplant?

De vorm van de bloem zegt iets over het type bestuiver. Lijkt de bloem op een open mondje, dan is het een lipbloemige (dovenetel, hondsdraf) en een echte hommelplant. Composieten, dat wil zeggen samen­gestelde bloemen, zoals paardenbloem, margriet en biggenkruid, zijn bijenvrienden. Vormt de bloem een scherm van kleine bloemetjes, dan is het een schermbloemige ­(duizendblad, wilde peen, fluitenkruid) waar vlinders van houden.

Herken de plant

  1. Nieuwsgierig. Vraag je af: waarom groeit dit plantje juist hier? Welke insecten leven erop? Is hij geneeskrachtig? Door jezelf deze vragen te stellen, onthoud je de planten beter
  2. Vorm. Kijk goed naar de vorm van het blad. Zo herken je een plant ook als hij niet bloeit. De bladeren kunnen bijvoorbeeld hartvormig zijn, zoals hondsdraf, of juist langwerpig met de nerven parallel aan elkaar, zoals slanke weegbree. Het plantje met bladeren in de vorm van een eikenblad is stinkende gouwe. Merk eens op hoeveel verschillende vormen er zijn.
  3. Seizoen. In welk seizoen kom je het plantje tegen? De witte schermbloemen van fluitenkruid zie je alleen in het voorjaar, de schermbloemen van gewone berenklauw bloeien in de zomer. Paardenbloemen vind je in het voorjaar, biggenkruid in de zomer.
  4. Plaats. Staat het plantje op een schaduwrijke of juist een zonnige plek? Sommige planten vind je alleen in de zon, andere vind je ook op schaduwrijke plekken, zoals stinkende gouwe en dovenetel.
  5. Identificatie. In de stad zijn wel 1350 verschillende soorten te vinden. Onmogelijk om ze allemaal te kennen. Hoeft ook niet. De app Obsidentify kan je op weg helpen.

Meer lezen

Tekst Jocelyn de Kwant  Fotografie Adrien Delforge / Unsplash.com

Promotional image Promotional image

School of Flow

Een week voor jezelf

In deze training ga je zorgen voor jezelf. Je neemt de tijd om je af te vragen hoe het echt met je gaat en je last rust- en reflectiemomenten in.

BEKIJK DEZE TRAINING