Tegenstrijdig tot in haar porieën: het bewogen leven van filosoof en activist Simone Weil
De Franse Simone Weil was stellig, fanatiek en vastbesloten haar eigen keuzes te maken. Erkenning krijgt ze pas na haar vroege overlijden. Want het leven van een van de belangrijkste filosofen van de twintigste eeuw was kort maar bewogen.
‘Ze boeide en intrigeerde me omdat ze de naam had buitengewoon intelligent te zijn en zich nogal vreemd uitdoste. (…) China werd door een grote hongersnood geteisterd en er was mij verteld dat zij, toen ze dat nieuws had gehoord, gehuild had: de tranen dwongen nog meer mijn respect af dan haar filosofische talent. Ik was jaloers op haar hart dat voor de hele wereld klopte.’
Simone de Beauvoir weet in haar autobiografie Een welopgevoed meisje haar medestudent Simone Weil raak te typeren, wat nog niet eenvoudig is.
Niet in een hokje te plaatsen
Simone is namelijk een vat vol tegenstrijdigheden. Ze is joods, maar weigert dat te erkennen; een marxist die niet in de revolutie gelooft; een atheïstische filosoof die gelovig wordt, maar weigert toe te treden tot de katholieke kerk.
Ze is naast een begaafd elitestudent óók een fabrieksarbeider, een pacifist die vecht in de Spaanse burgeroorlog. Iemand die voortdurend schrijft, maar tijdens haar leven haast niks publiceert (daarentegen beslaat haar postume werk zeven delen: van filosofische essays en pamfletten tot dagboeken, brieven en aantekeningen).
Simone Weil is niet in een hokje te plaatsen. Maar vast staat dus dat ze buitengewoon intelligent is en dat haar hart voor de hele wereld klopt.
Al jong vol compassie
Simone wordt op 3 februari 1909 geboren in een gegoed milieu in Parijs: haar vader is internist, haar moeder een rijke erfgenaam. Bernard en Selma Weil zijn allebei joods, maar willen daar niks van weten: ze voeden hun kinderen – Simone heeft een drie jaar oudere broer, André – seculier op.
Simones hart klopt al jong vol compassie: tijdens de Eerste Wereldoorlog besluit ze af te zien van het eten van suiker, zodat haar portie naar de soldaten aan het front kan; op haar tiende loopt ze mee in een demonstratie van arbeiders voor een hoger loon.
Liever een jongen
Moeder Selma mocht van haar ouders geen geneeskunde studeren en kanaliseert haar gefnuikte ambities in de ontwikkeling van haar twee wonderkinderen. Alleen de beste scholen en privédocenten zijn goed genoeg voor hen. Geen speelgoed voor de kinderen Weil, maar boeken. Als verrassing voor hun moeder leert André zijn vijfjarige zusje in de kerstvakantie lezen; de kinderen hebben Oudgrieks als hun geheime taal.
Op Simones verzoek noemen haar ouders haar hun ‘tweede zoon’
Maar de onhandige Simone voelt zich altijd minderwaardig aan haar oudere broer, die op zijn veertiende al naar de universiteit gaat en zich tot een briljant wiskundige zal ontwikkelen. Dat ze als vrouw is geboren, vindt ze ook een minpunt. Op Simones verzoek noemen haar ouders haar hun ‘tweede zoon’; als student ondertekent ze haar brieven naar huis met ‘Simon’.
In de ban van filosofie
Je kunt niet zeggen dat Simone intellectueel veel voor haar broer onderdoet: net als André gaat ze na de middelbare school naar de prestigieuste universiteit van Frankrijk. Haar score voor het toelatingsexamen is de hoogste van heel Frankrijk. Ze is in de ban van de filosofie, die volgens haar niet bedoeld is om problemen op te lossen, maar om die bloot te leggen.
Daarnaast is ze actief in de communistische vakbond. Ze valt op. Het is verboden voor vrouwen om zich als man te kleden, toch wordt Simone in deze periode vaak gesignaleerd in een soort overall (‘de vreemde uitdossingen’ waarover Simone de Beauvoir het had). Ook is ze zo stellig in haar meningen dat het sommige mensen afschrikt.
De rode maagd
Na de afronding van haar studie wordt ze filosofiedocent op een middelbare school in Le Puy, een stadje in het midden van het land. De rode maagd, zoals haar medestudenten haar noemen, veroorzaakt daar een schandaal door met een rode vlag zwaaiend voorop te gaan in een stakingsactie. Ze houdt van haar salaris alleen het bedrag ter hoogte van een uitkering, de rest geeft ze aan werklozen en vluchtelingen.
’s Winters stookt ze haar kamer niet warm, want “dat kan een werkloze ook niet”. Ze walgt van haar eigen lichaam en moet sowieso niks hebben van fysiek contact. Ze zorgt niet goed voor zichzelf, waarschijnlijk heeft ze een eetstoornis (en nu we toch bezig zijn: het zou ook goed kunnen dat ze neurodivergent is). Haar ouders reizen haar voortdurend met stoffer en blik achterna om haar op de been te houden.
De werkelijke hel
Simone is compromisloos en weigert weg te kijken, in alle omstandigheden. In haar denken draait het om de contradictie dat mensen streven naar het goede en tegelijkertijd onderworpen zijn aan een blinde macht die ze de nécessité – noodzakelijkheid – noemt: de lelijkheid die er ook in de wereld is. We moeten het leven zien zoals het is en niks verdoezelen: “de werkelijke hel prefereren boven het denkbeeldige paradijs.”
Ze wil zich niet verschuilen in de ivoren toren van haar eigen gedachten, maar met haar lichaam de wereld voelen
De waarheid is haar passie, en om die echt te leren kennen, vindt ze, moet je die aan den lijve ondervinden. Ze wil zich niet verschuilen in de ivoren toren van haar eigen gedachten, maar “met haar lichaam de wereld voelen”. En dus gaat ze in 1932 zes weken naar Berlijn om te onderzoeken wat dat nationaalsocialisme inhoudt. Ze constateert tot haar teleurstelling dat communisten en socialisten niet opgewassen zijn tegen Hitlers fascisme. Ze raakt haar geloof in de politiek en in de maatschappelijke vooruitgang kwijt.
Als arbeider aan het werk
In 1934 gaat ze nog verder in haar wens de wereld te voelen door een jaar onbetaald verlof te nemen als docent om als ongeschoolde arbeider in een aantal fabrieken in Parijs te gaan werken. Met haar bijziendheid, onhandigheid en hevige migraines is ze volstrekt ongeschikt voor dit soort werk.
Het sloopt haar dan ook bijna, zowel fysiek als mentaal, maar ze leert er belangrijke lessen: in een fabriek telt alleen productie draaien. Arbeiders hebben geen gelegenheid om na te denken, maar moeten bevelen opvolgen, vaak zonder te weten wat het doel van hun werk is.
Als ze aan het einde van de dag thuiskomen, zijn ze te uitgeput om zich nog geestelijk te ontwikkelen. Het resultaat van dit alles is niet revolutie, maar volgzaamheid en apathie. Zo ervaart ze het zelf ook, maar toch is ze in staat om in de avonduren te schrijven. Wat ze over haar fabriekswerk schrijft, wordt later gebundeld in het boek Over arbeid.
Naar het front
Om bij te komen nemen haar ouders Simone mee op vakantie. In Portugal heeft ze haar eerste spirituele ervaring als ze in een vissersdorp het jaarlijkse feest voor de plaatselijke beschermheilige meemaakt.
“Daar overviel me plotseling de zekerheid dat het christendom bij uitstek de slavenreligie is, en dat slaven niet anders kunnen dan zich erbij voegen. Ikzelf, te midden van anderen, mee inbegrepen.” Lijden is de menselijke conditie, is haar idee. Voortaan slaapt ze niet meer in een bed, maar op de grond.
Als in 1936 de Spaanse Burgeroorlog uitbreekt, weet de pacifist wat haar te doen staat: naar het front om als vrijwilliger mee te vechten aan de kant van de anarchisten! Daar draagt ze vanwege haar fysieke beperkingen weinig nuttigs aan de gevechten bij. Haar kameraden laten haar maar helpen in de keuken, waar ze over een pan kokendhete olie struikelt, zich lelijk verbrandt en door haar ouders afgevoerd moet worden.
Zelfstandig geknutseld geloof
Lesgeven lukt niet meer vanwege haar helse hoofdpijnen. De zomers van 1937 en 1938 brengt ze door in Italië, waar ze zich laaft aan de natuur en de kunst. Geluk is volgens haar een “onmisbaar ingrediënt in een mensenleven”. Er volgen nog twee spirituele ervaringen. Tijdens een mis in een benedictijnse abdij gaat ze tijdens een migraineaanval zo op in de gregoriaanse gezangen dat ze het gevoel heeft dat het lijden van Christus “in haar dringt”.
Westerse mystiek, boeddhisme, Bhagavad Gita, Plato – ze sprokkelde overal wat vandaan
Het geloof dat ze begint te ontwikkelen, heeft veel weg van het katholicisme, maar is dat niet: haar biograaf Frits de Lange noemt het ‘een zelfstandig knutselwerk, samengesteld uit materiaal van verschillende spirituele tradities. Westerse mystiek, boeddhisme, Bhagavad Gita (ze leerde zichzelf Sanskriet om het hindoegeschrift te kunnen lezen), Plato – ze sprokkelde overal wat vandaan.’
Er is ook geen sprake van dat ze zich katholiek laat dopen: ze is liever christen buiten de kerk dan dat ze buigt voor het juk van het kerkelijk leergezag. Het geloof is voor haar de manier om de tegenstelling tussen het verlangen naar het goede en de realiteit van het kwaad samen te brengen. Het dagboek dat ze over haar spirituele ontwikkeling bijhoudt, verschijnt postuum onder de titel Wachten op God en maakt haar beroemd, vooral in christelijke kringen.
Wit geklede verpleegsters
Als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt, vlucht Simone samen met haar ouders naar Marseille. Ze weigert zich als jood te laten registreren. Aan de minister van Publieke Zaken schrijft ze: ‘Ik heb geen enkele reden om te veronderstellen dat er een link bestaat, hetzij via mijn vader, hetzij via mijn moeder, met het volk dat tweeduizend jaar geleden in Palestina woonde.’
Maar de krachten van de buitenwereld zijn te sterk. Haar ouders weten een visum voor de Verenigde Staten te bemachtigen en omdat zij niet zonder haar willen vertrekken, gaat Simone in mei 1942 mee. Maar hoe kan ze zich verwijderen van de plek waar het lijden is? In november 1942 is ze alweer in Londen, waar ze gaat werken voor de regering in ballingschap van generaal De Gaulles.
Ze heeft een plan: wat als er een groep in het wit geklede verpleegsters met parachutes achter het front wordt gedropt om daar het lijden te verzachten? Dat zij een van die verpleegsters zal zijn, staat buiten kijf. “Elle est folle,” zegt De Gaulle als hij ervan hoort. Ze mag meedenken over de toekomst van Europa, dat is het.
Tuberculose
Ze voelt zich op een zijspoor gezet en trekt zich terug in haar kamer in Londen. Hier schrijft ze met haar ongekende focus dag en nacht stukken over de toekomst van Europa. Later zijn deze gebundeld in haar meesterwerk Verworteling: stukken tegen het kolonialisme, gedichten, losse aantekeningen.
Maar haar ouders zijn niet meer in de buurt om haar in leven te houden. Op 15 april 1943 wordt Simone buiten bewustzijn aangetroffen, ingestort boven haar werk. Ze blijkt tuberculose te hebben. Mede doordat ze meer weigert te eten dan wat de Duitse bezetters de Fransen toestaan, sterft ze op 24 augustus 1943 in het sanatorium van Ashford, 34 jaar oud. Volgens haar overlijdensacte is het zelfmoord; anderen zien haar dood als de ultieme consequentie van haar filosofische project.
Een pot met goud
In een van haar laatste brieven aan haar ouders – waarin ze verzwijgt hoe ziek ze is – schrijft Simone over haar innerlijke zekerheid dat ze een pot met goud in zich draagt die doorgegeven zou moeten worden, maar dat dit waarschijnlijk niet zou gebeuren. ‘En dat hindert me geenszins.’
Het loopt anders. Na haar dood worden haar nagelaten geschriften alsnog uitgebracht. En zo wordt Simone Weil nu beschouwd als een van de belangrijkste filosofen van de twintigste eeuw.
Meer lezen
- Feminist en existentialist: het leven van Simone de Beauvoir
- Het leven van een roekeloze schrijver: Tove Ditlevsen
- Wetenschapper en pionier: het leven van Marie Curie
Fotografie Getty Images